Ontnemingsvordering raakt onschuldpresumptie.

Dinsdag 16 augustus 2011. Het Gerechtshof in Amsterdam heeft, naar aanleiding van een door het Openbaar Ministerie ingediende 'ontnemingsvordering', dinsdag besloten dat een cliënt van mr. Jan Zevenboom niets hoeft te betalen.

Het Openbaar Ministerie was van mening dat de cliënt EURO 24.000,- zou hebben verdiend, omdat hij zich schuldig had gemaakt aan heling van diverse goederen. Het Openbaar Ministerie vond dan ook dat de cliënt dit bedrag aan de Staat moest betalen. De (Plukse)wet geeft de mogelijkheid aan het Openbaar Ministerie om zo een vordering aanhangig te maken bij de rechter als iemand veroordeeld is voor het plegen van strafbare feiten en het aannemelijk is dat diegene daar voordeel van heeft genoten (winst heeft gemaakt).

Door mr. Jan Zevenboom werd in hoger beroep aangevoerd dat de vordering grotendeels in strijd was met de onschuldpresumtie, omdat de vordering ook zag op winst welke zou zijn verkregen door het verkopen van goederen waarvoor cliënt door het Gerechtshof, blijkens het arrest in de strafzaak, eerder vrijgesproken was. Door de verdediging werd dan ook een beroep gedaan op het zogenaamde Geerings-arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. In dit arrest is kort gezegd expliciet uitgesproken dat feiten waarvoor de veroordeelde in de strafzaak is vrijgesproken niet betrokken kunnen worden in de ontnemingsprocedure.

Het Openbaar Ministerie was van mening dat een groot aantal feiten in deze zaak wel degelijk betrokken konden worden in de ontnemingsvordering, omdat het arrest in de strafzaak niet expliciet had bepaald voor welke goederen de cliënt was vrijgesproken.

Het Hof volgde de lezing van de verdediging en bepaalde dat de cliënt geen wederrechtelijk verkregen voordeel hoefde terug te betalen aan de Staat.

Klik hier om terug te keren naar de nieuwsberichten